Jan Cornelis Hendrik Fleer wordt geboren op 3 juni 1897 in de Indische buurt in Amsterdam-Oost als oudste zoon in een gezin dat uiteindelijk 4 jongens en 4 meisjes zal tellen. Zijn vader werkt in de locomotiefbouw bij Werkspoor op Oostenburg. Het gezin is katholiek, maar als de pastoor komt vragen waar het 9e kind blijft, gooit vader hem van de trap en maakt alle kinderen Nederlands-hervormd. Vanaf 1910 leert Jan voor monteur bij het bedrijf waar zijn vader werkt, Werkspoor. Van 1912 tot 1915 gaat hij daarnaast naar de technische vakschool. Naast zijn werk als monteur haalt hij in 1919 zijn rijbewijs en wordt chauffeur. Op 21 maart 1921 trouwt hij met de vier jaar oudere Afina Trijntje van der Wal. Zes dagen later komt hun zoon Jan ter wereld. Het jaar daarop wordt Max geboren. In de jaren dertig gaat Jan weg bij zijn gezin, maar zijn vrouw en hij scheidden niet officieel. Door Fiens fanatieke communisme is er een verwijdering ontstaan tussen het gezin en de familie Fleer. Jan senior woont in Den Haag op kamers of in een tehuis voor daklozen en is machinist op de koopvaardij. Ook heeft hij zijn eigen autowerkplaats. In augustus 1937 wordt Fleer door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot een maand gevangenisstraf wegens letsel door schuld. Het zou kunnen gaan om een vechtpartij of wellicht een auto-ongeluk.

De oorlog

Op 8 april 1941 gaat Jan Fleer bij het NSKK (Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps): oorspronkelijk een paramilitair onderdeel van de NSDAP, dat in de jaren dertig het gebruik van auto’s en motoren populair moet maken. In de oorlog is het een hulporganisatie van de Luftwaffe. De staf bevindt zich in Den Haag en 9.000 tot 10.000 Nederlandse vrijwilligers gaan erbij. Zij worden voor het grootste gedeelte opgeleid in het Belgische Diest en Vilvoorde of in de Detmerskazerne in Eefde, Gelderland. Fleer volgt zijn opleiding in Diest en haalt zijn grootrijbewijs. Tot augustus 1941 is hij chauffeur en van augustus tot april 1942 staat hij in een werkplaats. Vanaf 10 mei 1942 is hij chauffeur en monteur aan het Oostfront – waarschijnlijk in Rusland – als ‘Unterführer’ bij een compagnie van het Duitse leger. Eind december wordt hij bevorderd tot ‘Rottenführer’ (voorman). Van mei tot september 1943 volgt hij in Diest een technische opleiding. Zijn sergeant noemt hem eind 1943 “rustig, vlijtig en ordelijk.” Vermoedelijk blijft hij tot september 1944 bij dezelfde compagnie, maar rondom Dolle Dinsdag besluit Fleer te deserteren. Hij duikt zeer waarschijnlijk onder bij zijn eigen gezin in Amsterdam. Naar hij later aan de SD zou bekennen, omdat zijn vrouw communistisch was en haar zoons communistisch had opgevoed. Zo hoopte hij er denkelijk zelf na de oorlog als ‘foute Nederlander’ beter vanaf te komen.

Afina zou in haar verhoor uit 1948 in de strafvervolgingszaak van haar man verklaren dat ze pas in november ‘42 wist dat hij bij het NSKK zat. Ze was naar Den Haag gegaan om hem om geld voor het levensonderhoud van Jan en Max te vragen, zodat ze ze thuis kon houden en ze niet opgepakt zouden worden voor de Arbeitseinsatz. Ze sprak haar man in die tijd maar zelden. Jan had zich echter in januari 1942 weer in Amsterdam ingeschreven op de Jan Evertsenstraat 55-II. Het is dit vraag of hij dit heeft kunnen doen zonder medeweten van zijn vrouw. Fleer geeft haar tot het einde van de oorlog gemiddeld 120 gulden per maand. Jan en Max zitten vanaf 1940 in het verzet voor de CPN, Het Parool en Groep2000. Daarnaast gaan ze naar de hbs en vervolgens de Hervormde Kweekschool in Amsterdam-Oost om leraar te worden. In december ‘44 zijn de jongens gearresteerd en zitten vast in Amersfoort. Afina besluit naar haar zus in Slagharen te gaan, omdat daar meer eten is. Ze wordt waarschijnlijk gevolgd door haar ondergedoken man Jan. De jongens kunnen vluchten en komen ook naar Slagharen. Gezien de privéomstandigheden en uiteenlopende politieke achtergronden zal het samen zijn spanning hebben gegeven. Afina en de jongens zetten vermoedelijk hun verzetsactiviteiten voort en een plaatselijke NSB’er geeft hen aan als communisten. Eind januari 1945 wordt iedereen opgepakt. Ook Jan Fleer senior. Ze worden overgebracht naar gevangenis Landzicht in Dedemsvaart waar ze tijdens verhoren zwaar worden mishandeld. De SD maakt Fleer senior tegenover zijn vrouw – als deserteur en opportunistisch onderduiker – uit voor lafaard. Hierna wacht het huis van bewaring in Almelo. Max wil alle schuld voor het verzet op zich nemen en pleegt zelfmoord. Jan senior en junior belanden in De Kruisberg en staan op 2 maart ‘s ochtends vroeg bij het Rademakersbroek. Afina verwacht ook gefusilleerd te worden, maar komt vlak voor de bevrijding met de schrik vrij. Het bijzondere gerechtshof in Amsterdam besluit op 8 mei 1948 om niet tot vervolging van Jan Fleer senior over te gaan. Zijn graf blijft in Lutten en Afina zal er na de oorlog niet meer naar omkijken. Zijn zoons worden in 1948 herbegraven op Eerebegraafplaats Bloemendaal. In 2010 wordt in Hardenberg het oorlogsmonument ‘Verlies, verdriet, verzet en vrijheid’ onthuld. Zoon én vader Fleer zijn hierop vermeld in de categorie ‘anderszins omgekomenen’. De maker zal geen weet hebben van vader Fleers oorlogsverleden, terwijl hij in wezen óok een slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog is.

Leer Jan Cornelis Hendrik Fleer kennen