Op 9 januari 1923 wordt Koos Bouwman geboren als oudste zoon van kleermaker Jacobus Franciscus Bouwman (Den Haag 1889) en Maria Elisabeth van Spijk (Schiedam 1892). Zijn ouders zijn in 1922 getrouwd. Uit een eerder huwelijk heeft moeder een zoon Lourens (1918), roepnaam Bob. Na haar scheiding in 1919 is ze met hem naar Den Haag verhuisd. In het najaar van 1920 woont Bouwmans vader een paar huizen bij hen vandaan. In april 1925 krijgt Koos een jongere broer, Piet. Na een paar jaar verhuist het gezin naar Laan van Meerdervoort 460, waar ze lange tijd wonen. Zijn vader verdient met zijn eigen zaak een goed inkomen. Hij wil liever niet dat de jongens zich melden voor het leger, maar zijn stiefzoon Bob wordt gemobiliseerd.
De oorlog
Koos volgt de Handelsschool en kiest daarna voor de Rijkstuinbouwschool in Boskoop. Hij wil boomkweker worden en in Canada gaan werken, schrijft zijn vader na de oorlog op het opgaveformulier voor de Eerelijst. In de zomer van 1941 krijgt Bouwman zijn diploma voor de landbouwschool, met aantekening voor handelscorrespondentie in het Engels. Zijn beroep is tuindersknecht.
Koos gaat in het verzet, net als zijn broer Piet. Hij zit bij een KP en is vanaf najaar 1944 lid van de BS. Zijn moeder weet na de oorlog niet welke rang hij had of bij welk onderdeel hij heeft gediend. Piet heeft het later over “de ondergrondse”. Hij zet tegen het einde van de oorlog stenguns in elkaar en duikt onder bij familie. Hun halfbroer Bob zit niet in het verzet, maar duikt onder als hij moet opkomen voor de Arbeitseinsatz.
Eind december 1944 besluit Koos om over te steken naar bevrijd gebied. Hij wordt begin januari echter gearresteerd in het dorpje Lienden in de Betuwe. Bouwman wordt meegenomen naar het politiebureau in Velp. Daar wordt hij drie tot vier keer per dag zwaar verhoord, omdat de bezetter hem ervan verdenkt een spion voor de Engelsen te zijn. Dit is het laatste – naast zijn doodsbericht – dat zijn ouders van hem horen. Zijn weg eindigt in De Kruisberg.
Op 2 maart wordt Bouwman bij het Rademakersbroek gefusilleerd. Hij zou ter plekke, vlak voor de executie, naar een Duitser hebben uitgehaald, zo vernamen zowel Piet als Bob na de oorlog. Pas tegen de zomer zal de familie horen dat Koos niet meer leeft. Op 20 juni plaatsen ze een bericht in Het Parool dat hun zoon op 2 maart is gefusilleerd in Varsseveld. Bob reist af naar de Achterhoek om Koos te identificeren. Deze ervaring zal hem de rest van zijn leven bijblijven en is zelfs traumatisch. Bouwman wordt begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag.
Moeder Bouwman zal nooit over het verlies van haar zoon heenkomen. Ze overlijdt in 1957. Bob gaat na de oorlog terug in dienst en wordt voor training uitgezonden naar Engeland, waar hij uiteindelijk blijft wonen. Piet draagt zijn herinneringen aan de oorlogsjaren een leven lang met zich mee. Na de bevrijding bewaakt hij Mussert in het Oranjehotel en een moment, als ze met zijn tweeën zijn, schiet het door hem heen dat hij de NSB-leider kan laten boeten voor alles wat deze man Nederland heeft aangedaan.
“Eén doel had hij in de oorlog en dat was iets te kunnen doen voor de Vrijheid.” Zo getuigt Bouwmans vader na de oorlog. Omdat hun zoon een erg gesloten karakter had weten zijn ouders niet precies wat voor verzetswerk hij heeft gedaan.